Vroege planmatige uitbreidingen

De vroege planmatige uitbreidingen zijn stadsdelen die zijn ontworpen op basis van een uitbreidingsplan met een visie op de stad als geheel, meestal gerealiseerd tussen circa 1905 en 1950.

Stedenbouwkundige kenmerken

Primair is het vormgeven van de openbare ruimte met gevelwanden, straten en pleinen. De gevels begrenzen de openbare ruimte. Deze manier van ontwerpen wordt ook wel stadsbouwkunst genoemd.

Planmatige uitbreidingen hebben een duidelijk stedelijk karakter en een heldere, hiërarchische hoofdstructuur, waarin onderscheid is gemaakt tussen hoofdwegen - waaraan vaak winkels zijn gelegen - en secundaire straten. Veel aandacht is besteed aan de vormgeving van straatprofielen. Daarlangs ligt de bebouwing in (bijna) gesloten bouwblokken van 3-5 lagen. Het groen in het gebied is voor een groot deel openbaar; binnen de blokken liggen privé-tuinen. Het openbare groen wordt ingezet om de stedenbouwkundige structuur te versterken: brede middenbermen en grote bomen langs de hoofdwegen, gazons op de pleinen en kleinere boomsoorten in de straten. Als er al voortuinen voorkomen, dan zijn deze klein en vaak voorzien van een erfafscheiding die deel uitmaakt van het oorspronkelijke ontwerp.

De afzonderlijke bouwblokken zijn als één geheel ontworpen en vormen samen grotere architectonische eenheden die in symmetrische ensembles rond de verkeersstructuur zijn gerangschikt. Er is daardoor een sterke samenhang tussen stedenbouw en architectuur. De stedenbouwkundige structuur wordt versterkt door verbijzondering van de hoeken of door op strategische plekken aangebrachte bijzondere bebouwing of accenten. Zowel in de stedenbouw als in de architectuur is het collectieve (herhaling, samenhang, hiërarchie) primair en de expressie van het individuele object secundair. Het accent ligt niet op de afzonderlijke woningen maar op de compositie van het blok als geheel. De ensembles hebben dus een grote mate van eenheid wat architectuur betreft.

De bebouwing is over het algemeen bloksgewijs of per cluster van blokken tot stand gekomen en vervolgens ook zodanig beheerd. In de periode 1970-1990 heeft in veel planmatige gebieden stadsvernieuwing plaatsgevonden. Daarbij zijn delen van wijken afgebroken en vervangen door nieuwbouw in wat lagere dichtheden. Bij gerenoveerde panden zijn de oorspronkelijke voordeuren en kozijnen veelal verdwenen, evenals de roedeverdeling van de ramen.

Architectonische kenmerken

In de vroege planmatige uitbreidingen zijn openbare ruimte, stedenbouw en architectuur als één geheel ontworpen. De onderlinge samenhang daartussen is een primaire kwaliteit. Op stedenbouwkundig niveau is de hiërarchie van groot belang (verschil tussen hoofd- en secundaire straten, opbouw met verschillende pleinruimtes). Zichtlijnen spelen een belangrijke rol. Het collectieve (samenhang en herhaling) is veel belangrijker dan de expressie van het individuele object.

Bebouwing en groenstructuur versterken daarbij de hiërarchie in het stratenpatroon. De overgang openbaar-privé is helder en consequent: alles achter de voorgevel is privé, alles ervóór openbaar (behalve waar voortuinen voorkomen). Heel specifiek voor dit soort gebieden is de samenhang tussen stedenbouw en architectuur. Sterk bindende elementen voor het totaalbeeld van een blok zijn bijvoorbeeld de lange horizontale rijen identieke vensters (vaak liggend, van verschillende grootte en vorm per rij) en de doorlopende daklijst die het beeld van de straat als geheel bepalen. Ook de vorm en de onderlinge samenhang van kozijnen en ingangspartijen bepalen het gevelbeeld. Balkons en erkers kunnen eveneens deel uitmaken van de compositie van de gevel.

De hoekoplossingen maken eveneens deel uit van het samenspel tussen stedenbouw en architectuur: hoeken zijn verbijzonderd, waardoor ze de hiërarchie of zichtlijnen versterken, of ‘omgezet’, waardoor de eenheid van het blok wordt benadrukt. Deze bijzondere hoeken horen dus bij het blok als geheel en niet alleen bij het pand waarvan ze deel uitmaken. De gevels hebben een klassieke opbouw van plint of onderverdieping, middendeel en bekroning in de vorm van een afwijkend vormgegeven bovenste laag. De daken zijn ofwel plat of er is een lange doorlopende kap, evenwijdig aan de straat. Karakteristiek zijn de rijke detaillering en het ambachtelijke materiaalgebruik: de toepassing van natuursteen in plinten en dorpels, fraai bewerkte voordeuren, complexe kozijnprofielen en metselverbanden.

De architectonische detaillering is voor de eenheid van het straatbeeld daarom van essentieel belang. Het kozijn is daarbinnen vaak het beeldbepalende gevelelement bij uitstek. Boven de ramen zit vaak een rechte latei. De detaillering is ambachtelijk van aard: veel bouwblokken hebben complexe houten kozijnen met een groot aantal profielvariaties en verfijnde metselverbanden. Ook komen stalen kozijnen voor. De locaties met historische hoekpanden zorgen bij behoud van de oorspronkelijke of een andere openbare functie voor een open uitstraling en dragen daarmee bij aan de eigenheid van de buurt.

Criteria

  • Bouwinitiatieven passen binnen het straatbeeld en reageren op de architectonische en stedenbouwkundige eenheid van het ensemble (in dit gebiedstype: het bouwblok, een aantal blokken of gespiegelde wanden).

  • De visuele kwaliteit van de gevelcompositie als geheel gaat boven de individuele uiting.

  • Het gevelontwerp kent een driedeling (plint, middendeel, gevelbeëindiging) en heeft een afgewogen verhouding open-gesloten die aansluit bij de oorspronkelijke bebouwing.

  • De vormgeving of accentuering van de hoeken vindt plaats in samenhang met het blok als geheel en met de omringende blokken.

  • In- en uitspringende delen van de gevel (balkons, erkers en loggia’s en dergelijke) zijn onderdeel van de ritmiek van de gevel, maar blijven ondergeschikt aan de hoofdmassa en maken deel uit van het gevelontwerp.

Voor historische winkel/hoekpanden gelden de volgende aanvullende criteria:

  • Bij transformatie wordt een winkelfunctie, horeca of maatschappelijke functie gestimuleerd.

  • Gevelopeningen worden transparant ingevuld (van binnenuit niet blinderen, dichtzetten of voorzien van spiegelend glas).

  • Indeling, detaillering en ornamenten van de historische puien worden gehandhaafd en/of hersteld in overeenstemming met de oorspronkelijke karakteristiek.

  • Puien hebben een borstwering (geen puien volledig van glas of grotendeels/geheel te openen puien).

  • Entreepartijen, deuren en kozijnen sluiten aan bij de architectuur en zijn (mede)bepalend voor de totale gevelindeling.

  • Bij kozijnen zijn de negge (de diepte van het raam ten opzichte van het gevelvlak) en de vorm van het kozijn van belang als deel van een reeks.

  • Details en ornamentiek zijn verfijnd maar expressief; ze benadrukken het gevelontwerp.

Op deze pagina

Doe de welstandscheck

Krijg snel en eenvoudig inzicht in welke welstandscriteria gelden voor jouw bouwinitiatief.

Ga naar de welstandscheck

Andere reguliere criteria

Stadscentrum en centrumgebieden

Rotterdam heeft een voor Nederlandse begrippen bijzondere binnenstad, vooral vanwege de stedenbouw en architectuur uit de wederopbouwperiode en de opvallende skyline.

Historische linten en kernen

Historische linten en kernen zijn vóór 1900 ontstaan en lagen buiten de toenmalige stad Rotterdam.

Organisch ontwikkelde uitbreidingen

Tussen circa 1860 en 1905 vonden stadsuitbreidingen plaats die niet waren gebaseerd op een stedenbouwkundig plan, maar zich organisch ontwikkelden.

Tuindorpen

In 1902 werd de Woningwet ingevoerd. Vanaf dat moment tot ongeveer 1950 kwamen er in de stad op verschillende plekken ruim opgezette en groene arbeiders- en middenstandswijken tot stand.

Stempel- en strokenbouw

Met stempel- en strokenbouw worden planmatige woongebieden bedoeld, tot stand gekomen tussen de jaren ’50 en ’70 van de twintigste eeuw, met incidenteel latere invullingen en vernieuwingen.

Planmatige woonerfwijken

Eind jaren ’60 van de vorige eeuw was er veel kritiek op de stempel- en strokenbouw, die als vlak en monotoon werd gezien.

Recente uitbreidingen en grootschalige transformaties

Halverwege de jaren ’80 vond opnieuw een omslag plaats in stedenbouw en architectuur.

Stedelijke villagebieden

Stedelijke villagebieden zijn woongebieden die zijn ontstaan na 1870 en waarvan de bebouwing bestaat uit vrijstaande of geschakelde villa’s.

Stedelijke oevers

Stedelijke oevers zijn gebieden gelegen aan de oever van de Maas of aan delen van (voormalige) havens.

Stedelijke knooppunten

Knooppunten zijn gebieden met diverse publieksfuncties, hoge bezoekersaantallen en een hoge verkeersintensiteit.

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden kennen veelal een rationele inrichting en zijn doorgaans sterk monofunctioneel van aard.

Groengebieden

Groengebieden hebben een recreatieve functie die vaak wordt gecombineerd met waterhuishoudkundige, educatieve en ecologische functies.

Bouwwerken op het water

In principe zijn op het water de Algemene Bouwstenen Rotterdam van toepassing, evenals de gebiedsgerichte criteria die voor de aangrenzende stadsdelen zijn geformuleerd.