Recente uitbreidingen en grootschalige transformaties

Halverwege de jaren ’80 vond opnieuw een omslag plaats in stedenbouw en architectuur. De woonerfwijken werden als onoverzichtelijk ervaren en te veel een exponent van alleen het scheppen van woonmilieus zonder veel architectonische en stedenbouwkundige vormgeving. De ontwerpaandacht verschoof, zowel voor structuur en bebouwing als voor openbare ruimte en groen.

Stedenbouwkundige kenmerken

Hiërarchie in de structuur, het onderscheid openbaar-privé en de uitstraling van het materiaal kregen (weer) aandacht. Daarnaast werd het ‘reageren op de plek’ weer belangrijk: het omgaan met het pre-stedelijke landschap of de eerdere functie van een plek. Waterlocaties raakten in zwang als woonmilieu en het ‘duurzaam bouwen’ kwam op.

De ontwikkeling vond en vindt plaats op stedelijke schaal en initiatief. Vaak is er sprake van gefaseerde planvorming onder sterke gemeentelijke regie, gericht op het bereiken van vooraf gestelde kwaliteitsdoelen. De grootste plannen betreffen de transformatie van stukken min of meer agrarisch gebied tot stedelijke woonwijken (zoals Prinsenland en Nieuw Terbregge). Invulplannen betreffen herontwikkeling (zoals het Jasonpark in Schiebroek, ter plaatse van volkstuinen en sportvelden) en randgebieden (zoals de Barbeelsingel in Hoogvliet, met zicht op de Oude Maas).

In vergelijking met de jaren ’70 waren de bouwstromen gering. De ontwerpen hebben vrijwel steeds een duidelijk, vaak interdisciplinair, ontwerp-handschrift: architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur. Er is veel aandacht voor het ontwerp van de openbare ruimte. Het onderscheid openbaar-privé wordt benadrukt. De materialisering is divers en de architectuur is vaak veel gevarieerder en rijker dan in de voorgaande perioden. Er zijn verschillende kleuren metselwerk toegepast en er is gebruik gemaakt van hout, natuursteen en andere materialen. De materialen en het verschil in behandeling zijn vaak ingezet om bouwdelen van elkaar te onderscheiden (begane grond, verdieping, kap).

De architectuur is uitgesproken en expressief, de stijl varieert van neo-modern tot jaren ’30 retro. In stedenbouwkundige zin varieert het type van tuindorpachtig (zoals Prinsenland, Tussenwater, Nieuw Terbregge) en gestapelde bouw tot hoogbouw (zoals de Barbeelsingel, Prinsenland). Het resultaat is een veelkleurig palet: laag- en hoogbouw, hoge en lage dichtheden, rechte en gebogen straatwanden, stenige en groene buitenruimtes, losstaande huizen en rijwoningen, winkelcentra, kantoren, schoolgebouwen en gebouwen voor ouderenhuisvesting, strakke en speelse, ingetogen en uitbundige architectuur.

Vanaf de jaren na 2000 kwam binnen deze stedenbouwkundige principes steeds meer ruimte voor (geënsceneerde) variatie. Nog steeds vormde een vrij formele ruimtelijke orde het vertrekpunt, maar ook binnen bouwblokken en -stroken ontstond dynamiek in opzet en architectuur. Over het algemeen zijn de verbanden losser en vertonen de ensembles of bouwblokken intern een grotere variëteit. Een sterke samenhang tussen stedenbouwkundige opzet, architectuur en landschapsontwerp bleef het kader voor een vernieuwde variatie in architectonische eenheden, die soms weer werd teruggebracht tot op het niveau van de individuele woning – ook al werden deze doorgaans niet individueel, maar gewoon als collectief ontwikkeld. In sommige opzichten kennen de variaties daardoor enigszins een ‘dubbel gezicht’. Ontwikkeld binnen vrij formele kaders en uitgangspunten is in de architectuur een informele sfeer beoogd (zoals Nieuw-Crooswijk).

In sommige gevallen heeft dit geresulteerd in bouwblokken die een ‘pandsgewijze' opbouw hebben (met de woning als architectonische eenheid), zij het doorgaans ingekaderd door strikte richtlijnen voor kavelbreedte, bouwhoogte, gebouwopzet en materiaalgebruik. In die situaties liggen de architectonische en stedenbouwkundige eenheid ver uit elkaar, ook al is er zeker sprake van ruimtelijke samenhang. In andere gevallen is het bouwblok opgebouwd uit eenheden van verschillende grootte, waarbij een groep woningen (of andere functies) samen een blok als architectonische eenheid vormt, die tezamen met andere blokken of ensembles vervolgens een bouwblok als stedenbouwkundige eenheid vormt. Ondanks verschillen in schaal en maat van architectonische versus stedenbouwkundige eenheden, bleef de samenhang van een interdisciplinair ontwerpconcept leidend.

Architectonische kenmerken

De kwaliteit ligt zowel in individuele plannen als in het geheel: de staalkaart aan Rotterdamse stedenbouw vanaf 1985. Opvallend daarbij is de gehanteerde ambitie; de stad profileerde zich nadrukkelijk met stedenbouw en architectuur. De kwaliteit van het geheel (wijk, complex) ligt vaak in de samenhang tussen de op elkaar afgestemde plattegrond, de bebouwing, de openbare ruimte en het groen in een hoogwaardig ontwerp. Een voorbeeld is Prinsenland; de openbare ruimte bepaalt sterk de sfeer en de kwaliteit van de wijk, te typeren als ‘aangenaam wonen in eigentijds tuindorp’.

In de stedenbouwkundige structuur is met verschillende architectonische en stedenbouwkundige eenheden gewerkt: laagbouwbuurten, historische linten en grootschalige landschappelijke ensembles. In de laagbouwbuurten vormt het bouwblok de architectonische eenheid, soms delen van het bouwblok of zelfs de individuele woning. Het gevelontwerp benadrukt primair de lengte van het blok en niet zozeer de woning, de hoeken van het blok zijn niet afgesneden maar nadrukkelijk gecomponeerd. Het domein van de individuele woning wordt uitgewerkt op de begane grond, waar met tuinmuren, nissen en muurtjes de overgang naar de straat wordt gemaakt. In de jaren na 2000 speelt op andere plekken de individuele woning weer een grotere rol, maar blijft deze geïntegreerd in een samenhangende stedenbouwkundige en landschappelijke context.

In het voorbeeld van Prinsenland is elk buurtje een samenhangend kleinschalig en homogeen ensemble. De hoger gelegen oude lintbebouwing op de oude dijk vormt een extra kwaliteit in de wijk als geheel. De grootschalige landschappelijke ensembles bestaan uit de randen van laagbouwbuurten, de hoogbouw en de openbare groene ruimte, de singels en de plas. Architectuur, stedenbouw en landschap zijn als een precies afgestemde compositie ontworpen.

Net als bij het gebiedstype Stempel- en strokenbouw zijn maaiveld-inrichting en bebouwing als een samenhangend ruimtelijk geheel ontworpen. Het ruimteconcept is duidelijk gedefinieerd en overzichtelijk en hiërarchisch opgebouwd, ook in buurten waar het beeld van de individuele woning overheerst. Alle ontwerpmiddelen (stedenbouwkundig, architectonisch en landschappelijk) zijn ingezet om de ruimtewerking te intensiveren en de schaalcontrasten op te voeren. De begrenzing van de ensembles wordt bijvoorbeeld bijna altijd gevormd door terughoudende randen bestaande uit laagbouw. Deze trekken de aandacht niet naar zich toe, waardoor het accent valt op de tussenliggende ruimtes. De aanwezige hoogbouw ritmeert, accentueert en versterkt de dieptewerking en de gelaagdheid.

De architectuur onderscheidt zich door het afgewogen materiaal- en kleurgebruik. Vaak heeft dat een betekenis in de gevelgeleding. De variatie in materiaal- en kleurgebruik wordt in evenwicht gehouden door de strakke vormen en de ritmische herhaling die veel ensembles kenmerken. Zelfs wanneer de architectonische eenheid door de individuele woning wordt bepaald, is er sprake van samenhang in materiaalgebruik en detaillering, veelal omdat de architectuur via nauwgedefinieerde kaders is gedirigeerd. Binnen de ensembles komen meerdere architectonische handschriften voor. Soms is de overgang tussen de verschillende handschriften zo groot, dat een ruimtelijke scheiding ontstaat tussen verschillende delen van een ensemble, die ten koste gaat van de compositie als geheel. Maar over het algemeen kan de diversiteit groot zijn, zonder dat de samenhang tussen stedenbouw, landschapsontwerp en architectuur verloren gaat.

Criteria

  • Bouwinitiatieven respecteren eventuele hiërarchische ruimtelijke structuren en houden rekening met de samenhang tussen architectuur, stedenbouw en landschap.

  • Bij een ensemble met een duidelijke relatie tussen de afzonderlijke delen, dragen bouwinitiatieven bij aan deze relatie.

  • Bij ensembles met een collectieve visuele kwaliteit van de gevelcompositie als totaal, is de individuele uitstraling daaraan ondergeschikt.

  • Ook waar de architectonische eenheid zo klein is gedefinieerd als de individuele woning, dragen uitbreidingen en ingrepen bij aan het samenhangende beeld van het geheel.

  • Gebouwde erfafscheidingen en bergingen zijn onderdeel van de architectonische en stedenbouwkundige eenheid

  • Materiaalgebruik, kleur en detaillering zijn binnen de architectonische eenheid (in dit gebiedstype: de straat, het blok – of deel van het blok –, of de buurt) op elkaar afgestemd en onderdeel van een duidelijke compositie.

Op deze pagina

Doe de welstandscheck

Krijg snel en eenvoudig inzicht in welke welstandscriteria gelden voor jouw bouwinitiatief.

Ga naar de welstandscheck

Andere reguliere criteria

Stadscentrum en centrumgebieden

Rotterdam heeft een voor Nederlandse begrippen bijzondere binnenstad, vooral vanwege de stedenbouw en architectuur uit de wederopbouwperiode en de opvallende skyline.

Historische linten en kernen

Historische linten en kernen zijn vóór 1900 ontstaan en lagen buiten de toenmalige stad Rotterdam.

Organisch ontwikkelde uitbreidingen

Tussen circa 1860 en 1905 vonden stadsuitbreidingen plaats die niet waren gebaseerd op een stedenbouwkundig plan, maar zich organisch ontwikkelden.

Vroege planmatige uitbreidingen

De vroege planmatige uitbreidingen zijn stadsdelen die zijn ontworpen op basis van een uitbreidingsplan met een visie op de stad als geheel, meestal gerealiseerd tussen circa 1905 en 1950.

Tuindorpen

In 1902 werd de Woningwet ingevoerd. Vanaf dat moment tot ongeveer 1950 kwamen er in de stad op verschillende plekken ruim opgezette en groene arbeiders- en middenstandswijken tot stand.

Stempel- en strokenbouw

Met stempel- en strokenbouw worden planmatige woongebieden bedoeld, tot stand gekomen tussen de jaren ’50 en ’70 van de twintigste eeuw, met incidenteel latere invullingen en vernieuwingen.

Planmatige woonerfwijken

Eind jaren ’60 van de vorige eeuw was er veel kritiek op de stempel- en strokenbouw, die als vlak en monotoon werd gezien.

Stedelijke villagebieden

Stedelijke villagebieden zijn woongebieden die zijn ontstaan na 1870 en waarvan de bebouwing bestaat uit vrijstaande of geschakelde villa’s.

Stedelijke oevers

Stedelijke oevers zijn gebieden gelegen aan de oever van de Maas of aan delen van (voormalige) havens.

Stedelijke knooppunten

Knooppunten zijn gebieden met diverse publieksfuncties, hoge bezoekersaantallen en een hoge verkeersintensiteit.

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden kennen veelal een rationele inrichting en zijn doorgaans sterk monofunctioneel van aard.

Groengebieden

Groengebieden hebben een recreatieve functie die vaak wordt gecombineerd met waterhuishoudkundige, educatieve en ecologische functies.

Bouwwerken op het water

In principe zijn op het water de Algemene Bouwstenen Rotterdam van toepassing, evenals de gebiedsgerichte criteria die voor de aangrenzende stadsdelen zijn geformuleerd.