Planmatige woonerfwijken

Eind jaren ’60 van de vorige eeuw was er veel kritiek op de stempel- en strokenbouw, die als vlak en monotoon werd gezien.

Stedenbouwkundige kenmerken

De verwevenheid tussen bebouwing, groen en openbare ruimte was sterk versimpeld, de architectuur leek gereduceerd tot een optelsom van gestandaardiseerde bouwnormen. Vooral in wijken met veel hoogbouwflats (zoals bijvoorbeeld Ommoord) werd de ‘menselijke maat’ gemist.

Mede als reactie hierop ontstonden de woonerven: woonbuurten met een vertakte plattegrond, eindigend in doodlopende erven. Plattegronden laten vaak geknikte vormen zien met korte zichtlijnen en een hoge mate van beslotenheid als gevolg van een voortdurend verspringende rooilijn, zowel tussen als in de blokken. De Rotterdamse buurten van dit type variëren van relatief rechtlijnig en vrij stenig (Beverwaard) tot zeer vertakt (Oosterflank).

De hiërarchie van de wijken is simpel: ontsluitingswegen en -straten zijn voor doorgaand verkeer, terwijl woonstraten, paden, en erven die ook voor langzaam verkeer zijn ingericht, voor de verspreiding daarvandaan zorgen. Winkels bevinden zich in wijkwinkelcentra. Daar en aan de doorgaande wegen komt ook gestapelde bouw voor. De winkelcentra kunnen gecombineerd zijn met scholen, een gezondheidscentrum, een wijkgebouw en andere voorzieningen.

Straten, hoven en pleintjes lopen in elkaar over. Het groen is zeer uitgebreid en vertakt zich met de structuur of is ogenschijnlijk met losse hand door de buurt gestrooid. Aan de randen van de buurten liggen sportvelden en volkstuinen. Er is een veelheid aan overgangen van openbaar naar privé, bijvoorbeeld via de groenstrookjes en paden aan de straatkant. Paden lopen ook aan de achterzijde, waar grasvelden en speelplekken liggen. Doordat deze ruimtes in hoofdzaak vanuit de omringende panden worden benut, is een semiopenbare situatie ontstaan.

De straatprofielen zijn vaak ‘plat’: stoepen en rijweg worden alleen door paaltjes van elkaar gescheiden. Bij de woningen is parkeerruimte. Er is in plattegrond en bebouwing nadrukkelijk gestreefd naar kleinschaligheid. Die kleinschaligheid manifesteert zich echter niet in afwisseling en verschil tussen panden zoals in het traditionele dorp; op de woonerven onderscheidt de individuele woning zich niet van de naastgelegen woning. Vaak is er wel een vrij uitgebreide woningtypologie toegepast met per cluster verschillende bebouwing.

Tot dit gebiedstype behoren niet alleen woonerven maar ook vrij grote, gestapelde stedelijke appartementencomplexen (bijvoorbeeld de woningcomplexen langs de Goudse Rijweg en de Gerdesiaweg). Het gaat daarbij om complexmatige bouw van (huur)woningen met een gemeenschappelijke toegang of collectief trappenhuis. De gestapelde bebouwing vormt straatwanden met een stenig karakter. Vaak is gestreefd naar meer straatruimte dan in de oorspronkelijke situatie, door het laten in- en uitspringen van de gevelwanden.

Architectonische kenmerken

De ruime groenstructuur, de kleinschaligheid en de soms uitgebreide woningtypologie vormen een belangrijke kwaliteit van de woonerven. In sommige gevallen gaat het om een rustig, groen woonmilieu, met mogelijkheden voor verschillende ‘wooncarrières’. De woningen hebben vrijwel steeds achtertuinen, afwisselend voortuinen of minieme groenstrookjes. Soms zijn schuurtjes en bergingen aan de straatzijde mee-ontworpen. Een zeer introverte woonvorm ontstaat als ook de keuken aan de voorzijde is gesitueerd en de woonkamer (tuinkamer) zich aan de achterzijde bevindt.

De in de jaren ’70 nagestreefde kleinschaligheid is bereikt met een niet-hiërarchische gevel- en dakopbouw: muur- en dakvlakken worden steeds gebroken. Daarnaast is binnen een rij of blok afwisseling in kapvormen ingezet (plat, schuin, schuin met plat) en zijn korte en langere dakvlakken toegepast. De panden zijn doorgaans opgetrokken in metselwerk, met beton voor lateien en consoles; de daken zijn gedekt met pannen. In combinatie met de niet-hiërarchische opbouw ontstaat daardoor soms een amorf bebouwingsbeeld. Bij hoekoplossingen is vaak gebruik gemaakt van blinde kopgevels.

Bij de gestapelde bouw komen ook kopgevels voor met balkons. In een aantal gevallen wordt de kwaliteit van de gevelwanden bepaald door terugkerende, bindende elementen als latei-balken boven ramen en deuren, een doorlopende dakrand, doorlopende gevelbekleding op de verdieping en dergelijke. De stedelijke (appartementen)complexen dragen meer dan de woonerven een duidelijk architectonisch handschrift en hebben als zodanig een (wisselende) betekenis. Door hun relatief grote volume zijn ze ook voor het stadsbeeld van belang. De complexen zijn min of meer alzijdig en veelal voorzien van balkons, loggia’s en terrassen. De gevel bestaat uit beton, baksteen, glas en hout. De complexmatige nieuwbouw uit de stadsvernieuwing heeft veelal uit baksteen opgetrokken gevels. Voor balkons, lateien en dergelijke is beton toegepast, voor kozijnen hout en kunststof. Afwisselend zijn de gevels voorzien van balkons en loggia’s. De detaillering van de gevels is doorgaans weinig subtiel. In de plint liggen de ingangspartijen en daarnaast de deuren van de bergingen.

Criteria

  • Individuele aanpassingen zijn mogelijk als er sprake is van afwisseling en verschillen in het ontwerp van een bouwblok of architectonische eenheid.

  • Bouwinitiatieven met een eigenzinnig gevelontwerp zijn goed mogelijk; wel moet er een verband zijn met de architectuur van de omgeving.

  • Binnen het ‘frame’ van bindende elementen is ruimte voor verandering.

  • De omgeving vormt geen directe referentie, maar materiaalgebruik en detaillering bouwen voort op het karakter van de wijk, namelijk gebruik makend van baksteen, beton, pannen en hout.

Op deze pagina

Doe de welstandscheck

Krijg snel en eenvoudig inzicht in welke welstandscriteria gelden voor jouw bouwinitiatief.

Ga naar de welstandscheck

Andere reguliere criteria

Stadscentrum en centrumgebieden

Rotterdam heeft een voor Nederlandse begrippen bijzondere binnenstad, vooral vanwege de stedenbouw en architectuur uit de wederopbouwperiode en de opvallende skyline.

Historische linten en kernen

Historische linten en kernen zijn vóór 1900 ontstaan en lagen buiten de toenmalige stad Rotterdam.

Organisch ontwikkelde uitbreidingen

Tussen circa 1860 en 1905 vonden stadsuitbreidingen plaats die niet waren gebaseerd op een stedenbouwkundig plan, maar zich organisch ontwikkelden.

Vroege planmatige uitbreidingen

De vroege planmatige uitbreidingen zijn stadsdelen die zijn ontworpen op basis van een uitbreidingsplan met een visie op de stad als geheel, meestal gerealiseerd tussen circa 1905 en 1950.

Tuindorpen

In 1902 werd de Woningwet ingevoerd. Vanaf dat moment tot ongeveer 1950 kwamen er in de stad op verschillende plekken ruim opgezette en groene arbeiders- en middenstandswijken tot stand.

Stempel- en strokenbouw

Met stempel- en strokenbouw worden planmatige woongebieden bedoeld, tot stand gekomen tussen de jaren ’50 en ’70 van de twintigste eeuw, met incidenteel latere invullingen en vernieuwingen.

Recente uitbreidingen en grootschalige transformaties

Halverwege de jaren ’80 vond opnieuw een omslag plaats in stedenbouw en architectuur.

Stedelijke villagebieden

Stedelijke villagebieden zijn woongebieden die zijn ontstaan na 1870 en waarvan de bebouwing bestaat uit vrijstaande of geschakelde villa’s.

Stedelijke oevers

Stedelijke oevers zijn gebieden gelegen aan de oever van de Maas of aan delen van (voormalige) havens.

Stedelijke knooppunten

Knooppunten zijn gebieden met diverse publieksfuncties, hoge bezoekersaantallen en een hoge verkeersintensiteit.

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden kennen veelal een rationele inrichting en zijn doorgaans sterk monofunctioneel van aard.

Groengebieden

Groengebieden hebben een recreatieve functie die vaak wordt gecombineerd met waterhuishoudkundige, educatieve en ecologische functies.

Bouwwerken op het water

In principe zijn op het water de Algemene Bouwstenen Rotterdam van toepassing, evenals de gebiedsgerichte criteria die voor de aangrenzende stadsdelen zijn geformuleerd.