Intermezzo

De stad vertelt haar verhaal

Rotterdam kent een lange ruimtelijke geschiedenis, die bepalend is geweest voor de kenmerkende kwaliteit en karakteristiek van de Gebiedsatlas. Het verhaal van de stad draagt bij aan het fundament van het welstandsbeleid en begint een klein millennium geleden. Al in de vroege middeleeuwen ontstond op de smalle oeverwallen langs de Rotte de nederzetting Rotta.

Om zich tegen overstromingen te beschermen woonden mensen op terpen. Toch werd deze eerste nederzetting met de Allerheiligenvloed van 1170 weggespoeld. Om Schieland en Delfland tegen verdere overstromingen vanuit de Maas en de Noordzee te beschermen werd in de dertiende eeuw de zeedijk aangelegd. Rond 1270 werd in de Rotte - ter hoogte van de huidige Hoogstraat - een vierhonderd meter lange dam met uitwateringssluizen gebouwd die de basis heeft gelegd voor de ontwikkeling van de stad Rotterdam.

De driehoekige middeleeuwse stad

In de middeleeuwen ontwikkelde Rotterdam haar kenmerkende driehoekige stadsvorm, omgeven door de huidige Coolsingel, Goudsesingel en de Hoogstraat. De driehoekige middeleeuwse stad werd omlijst door wallen met stadspoorten en stadsvesten, met daarbinnen een stelsel van grachten en vaarten die via sluizen in verbinding stonden met de Rotte en de Rotterdamse Schie. De Rotte stroomde vrijwel recht door het midden van de stad, om onder de Hoogstraat door, te monden in de Steiger, waar de Rotte als afstromingsrivier eindigde en de directe verbinding met Nieuwe Maas plaatsvond. Dit gebied ontwikkelde zich later tot de Oude Haven.

Rond de stad lag een aantal kastelen. Nabij de Schie lag Slot Honingen. Het Hof van Weena (van heer Bokel) lag direct aan de noordzijde van de stad, tegen de Hofpoort die naast de Delftsche Poort de noordelijke centrale entrees tot de Middeleeuwse stad vormden. De voorruimte van beide poorten buiten de stadsmuren staat bekend als het huidige Hofplein. In de zeventiende eeuw ontwikkelde Rotterdam zich tot koopmansstad en centrum van de stapelmarkt. Op de overgang naar de Nieuwe Maas werden voormalige veenlopen tussen de schorren tot havens vergraven en kwamen de schorplaten zelf tot ontwikkeling. Zo ontstond de zogenaamde waterstad, een indrukwekkend netwerk van havens, waaronder de Leuvehaven (1608) en de Wijnhaven (1613). In pakhuizen werden goederen van over de wereld opgeslagen, overgeslagen en doorverhandeld.

De rijkdom die de handel Rotterdam bracht, weerspiegelde zich zowel in de stad zelf, waar de koopmanshuizen, rederijwoningen en pakhuizen steeds rijker en fraaier gedecoreerd werden, als in het buitengebied waar het gewonnen kapitaal werd geïnvesteerd in de bouw van talloze lusthoven en buitenplaatsen. Aan de Rotte en in Kralingen ontwikkelde zich een parade van buitenplaatsen. Eind achttiende eeuw werd een begin gemaakt met het droogmalen van de veenplassen rond de stad. In 1775 werden de relatief ondiepe plassen op het grondgebied van Hillegersberg drooggemaakt om landbouwgrond te creëren. In de tweede helft van de negentiende eeuw werden ook de diepere veenplassen rond Rotterdam drooggelegd, waarbij onder meer de Prins Alexanderpolder ontstaat.

Eerste uitbreidingen in het polderland

Tot in de negentiende eeuw was Rotterdam een intensief bewoonde stad, omgeven door polders omzoomd door hoge zeedijken. Buiten de veste en de binnenstad, onder andere langs de Rotte, was de vervuilende en stinkende industrie gevestigd. Vanaf 1825 brak de stad uit haar driehoekige omlijsting en breidt ze uit in het omliggende polderland. Bij die eerste stadsuitbreidingen vormden de kenmerken van het onderliggend landschap de basis van het stedenbouwkundig plan. De straten volgden de verkaveling van het oorspronkelijke landschap, oude buitenplaatsen werden in het plan opgenomen en de belangrijkste elementen van de voormalige buitenplaats werden met het plan geïntegreerd. De voormalige zeedijken voerden als verhoogde routes tussen de nieuwe stadsuitbreidingen. Deze uitbreidingen hadden dikwijls een organisch karakter, doordat de straten fragmentarisch zijn ingevuld door particulieren of bouwondernemers met afzonderlijke panden of kleine reeksen. Later werden ook in de veenpolders en de inmiddels drooggemaakte veenplassen uitbreidingen gerealiseerd. Hier herinneren de steilranden op de overgang van het onvergraven bovenland en de drooggemaakte veenplassen aan de oorsprong van het onderliggende landschap.

Aanleg Nieuwe Waterweg en ontwikkeling op Zuid

Toen in de negentiende eeuw de verzanding van Scheur en Brielse Maas de positie van Rotterdam als internationale haven bedreigde, werd tussen Rotterdam en Hellevoetsluis het Voorns Kanaal (1827) aangelegd. Met het groter worden van de zeeschepen voldeed dit kanaal al snel niet meer. Daarop werd de Nieuwe Waterweg gegraven (1872), die Rotterdam een directe scheepvaartverbinding met de Noordzee verschafte. Het openstellen van de Nieuwe Waterweg betekende de start van een onstuimige groei van Rotterdam, waarbij de stad de sprong over de Maas maakte. Op Zuid werden nieuwe havens, Rijnhaven en Maashaven, ontwikkeld met aan de kaden fabrieken, vemen, pakhuizen en silo’s. Met de aanleg van de nieuwe havens en de bouw van de fabrieken nam de werkgelegenheid enorm toe, wat arbeiders uit onder andere Drenthe, Zeeland, Limburg en Brabant als ook uit China trok.

Ook de aard van de handel en de havenactiviteiten veranderde ingrijpend. Van de koopstad met haar kooplieden en stapelhandel verschoof het accent naar de transitohandel, waarbij goederen zo snel mogelijk worden doorgevoerd naar de eindbestemming. Daarmee verdween de koopman uit beeld en deed het overslagbedrijf zijn intrede. De Willemsbrug (1878) en de naastgelegen spoorbrug waren de eerste vaste oeververbindingen over de Nieuwe Maas. Zij gaven het startschot voor een grootschalige verstedelijking op de zuidoever. Rotterdam Zuid begon dan aan de transformatie van 'boerenzij' tot 'smeltkroes'. Er ontstonden nieuwe woonwijken waar arbeiders van verschillende afkomsten zich vestigen. De Chinese havenarbeiders streken vooral neer op Katendrecht. De arbeiders uit overige delen van Nederland vooral in de overige nieuwe wijken op Zuid. Daarnaast breidde de stad naar het stedenbouwkundig plan van Willem Nicolas Rose verder uit in het omliggende polderland. Zijn ‘waterproject’ combineerde het ontkoppelen en verbeteren van de waterhuishouding met vergroening en verstedelijking om de stad leefbaar te houden. In de nieuwe uitbreidingswijken werden brede, groene en lommerrijke singels aangelegd.

Om de toegenomen bevolking te kunnen huisvesten werden naburige gemeenten als Kralingen, Charlois, Delfshaven en later ook Hoek van Holland en Pernis geheel of deels geannexeerd. In de havens werd het grote geld verdiend. De economie floreerde en leidde tot de bouw van nieuwe bebouwing, zoals Het Witte Huis aan de Wijnhaven, de eerste wolkenkrabber van Nederland. Havenbaronnen, waaronder Van Ommeren, namen het initiatief tot de aanleg van de Hofpleinlijn (1908). Deze verbond Rotterdam rechtstreeks met Scheveningen en Wassenaar, en gaf daarmee een boost aan de ontwikkeling van Wassenaar als villadorp. Gemeente en havenbaronnen trokken ook gelijk op in de vernieuwing van het stadscentrum en de nieuwe wijken. Dat uitte zich in onder meer in de bouw van een nieuw stadhuis, de beurs en het postkantoor en diverse laagbouwwijken en tuindorpen voor de nieuwkomers, waaronder tuindorp Vreewijk. De gemeente zette zich vanaf 1910 in op een coördinerende en ontwerpende rol in de ontwikkeling van planmatige stadsuitbreidingen voor de toenemende bevolking en de bouw van goede voorzieningen als kerken en scholen.

Bombardement van 14 mei 1940 en wederopbouw

Bij de bombardementen van 14 mei 1940 werd het hart van Rotterdam nagenoeg volledig verwoest. Ook buiten de binnenstad werden delen in de oorlog zwaar getroffen. Al tijdens de oorlog werden er plannen voor de wederopbouw van de stad ontwikkeld. Daarbij is niet teruggevallen op de stad zoals die ooit was, op oude bouwpatronen en -technieken, maar heeft Rotterdam nadrukkelijk de ‘vlucht naar voren’ ingezet om een nieuwe stad te bouwen. De wederopbouwarchitectuur koppelde innovatieve bouwtechnieken en -methoden aan een modernistische en zakelijke beeldtaal. In het centrum (Coolsingel, Weena, Hofplein, het Baan- en Laurenskwartier) was de wederopbouwarchitectuur prominent aanwezig en bepaalde zij in sterke mate het beeld van de binnenstad. Ook elders in de stad zijn na de oorlog in rap tempo de verwoestingen van het bombardement hersteld, hetgeen heeft geleid tot een meer gespreide ontwikkeling van wederopbouwarchitectuur. Buiten de binnenstad werden wijken voor de toenemende bevolking volgens de wijkgedachte gerealiseerd, zoals Pendrecht. Rotterdam kreeg bekendheid als de Wederopbouwstad van Nederland.

Naoorlogse ontwikkeling

In de loop van de twintigste eeuw breidden de havenactiviteiten zich verder ‘richting zee’ uit. Parallel aan de Nieuwe Waterweg ontwikkelde zich een keten aan havens. In de jaren zestig werd Europoort aangelegd; bunkers, duinen en moerassen maken plaats voor havens, olie-opslagtanks en chemische industrie. Hierbij ging ook het kroondomein De Beer verloren. In die periode werd ook de eerste Maasvlakte (1973) aangelegd. Om meer ruimte aan de opslag en overslag van goederen te bieden en de bereikbaarheid voor de steeds grotere containerschepen te bieden werd begin eenentwintigste eeuw de tweede Maasvlakte aangelegd (2013).

De geleidelijke zeewaartse verplaatsing van de havenactiviteiten leidde ook een transitie van de oudere havens nabij het centrum van de stad in. Binnenstedelijke havengebieden werden herontwikkeld tot veelzijdige woon-werkgebieden. In de oude stadswijken daarentegen ontstond verloedering doordat bewoners naar de nieuwe groeikernen buiten de stad verhuizen. In de tweede helft van de twintigste ging ook de stedelijke ontwikkeling van Rotterdam onverdroten door. De binnenstad werd langzaamaan ingebreid en de skyline ingevuld met diverse hoogbouw. Er werd een aanvang gemaakt met een metronetwerk en een ringweg buiten de binnenstad. Via stadsvernieuwingsprojecten investeerde Rotterdam fors in de verbetering en de realisatie van betaalbare woningen en sociale voorzieningen. Nieuwe bouwtechnieken maakten het mogelijk ook gebieden die voorheen minder voor woningbouw geschikt waren te ontwikkelen. Daarbij deed ook de gestapelde woningbouw zijn intrede. Zo werd de Alexanderpolder van veengrond via veenplas en tuinbouwgebied tot stadswijk. Hierbij zijn de oude polderstructuren in het stedenbouwkundig plan verwerkt, zoals in de wijken Ommoord en Prinsenland.

Om het woningtekort het hoofd te kunnen bieden werden eind twintigste eeuw landelijk de VINEX-locaties ontwikkeld. In dat kader werd aan de Zevenhuizerplas de wijk Nesselande ontwikkeld. Wijken als Zestienhoven versterkten Rotterdam als woonstad, maar ook in het centrum werd de woonfunctie geïntensiveerd, terwijl met de herontwikkeling van bijvoorbeeld de Kop van Zuid een gemengd stedelijk milieu werd gerealiseerd, waarmee de ‘sprong’ van het centrum over de Nieuwe Maas werd ingeluid. Rotterdam is inmiddels aan naburige gemeenten vastgegroeid tot een grootstedelijk gebied met het karakter van een wereldstad.

Karakteristiek

Een uitzonderlijk gelaagde stad

Het Rotterdam van vandaag is het resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling, van een continu proces van verandering. Die veranderingen verliepen soms geleidelijk, dan weer schoksgewijs. In dat proces van verandering heeft iedere episode zijn eigen aardigheden toegevoegd, zonder het voorgaande geheel uit te wissen. Dat maakt Rotterdam tot een uitzonderlijk gelaagde stad; een stad die is opgebouwd uit een even complex als intrigerend stelsel van elementen en structuren uit verschillende tijdlagen. Hierdoor laat de bestaande stad zich lezen als het resultaat van een lange geschiedenis, maar ook als vertrekpunt voor aanstaande ontwikkelingen. Bij die aanstaande ontwikkelingen is de opgave deze zodanig te geleiden dat knelpunten tot een oplossing worden gebracht, bestaande kwaliteiten behouden blijven en nieuwe, eigentijdse kwaliteit wordt toegevoegd, en dat alles zodanig dat Rotterdam ‘haar verhaal kan blijven vertellen’.

Aan de vooravond van ingrijpende veranderingen

Dat verhaal van de stad is van een niet te overschatten betekenis, juist in een tijd waarin Rotterdam voor een veelheid aan opgaven staat. Naast de traditionele opgaven als woningbouw, bereikbaarheid en inclusiviteit komt een breed palet aan nieuwe opgaven op de stad af, zoals de energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie en het herstel van biodiversiteit. Onder druk van een waaier aan opgaven die op haar afkomt zal Rotterdam de komende decennia mogelijk sneller veranderen dan we gewoon zijn en ingrijpender dan we gewend zijn. Juist in tijden van snelle en grote ontwikkelingen zijn mensen op zoek naar plekken die eigen zijn, waar ze zijn geworteld, waarmee ze verbonden zijn. Herkenbaarheid van het verleden speelt hierin een belangrijke rol. Door te weten waar de stad vandaan komt kunnen we beter onze plek in het heden plaatsen en van daaruit nadenken over mogelijk toekomstige posities. Het is daarom essentieel dat de stad haar verhaal kan blijven vertellen. Dat speelt zowel op het niveau van de structuur van de stad (de herkenbaarheid van essentiële structuurlijnen als voormalige linten, watergangen, dijken, droogmakerijen, steilranden), als op het niveau van bebouwing en de uitwerking van individuele gebouwen.

Versterkte relatie met het landschap

Rotterdam is gevormd vanuit het landschap, de stad vindt haar basis in de landschappelijke onderlegger. Op tal van plaatsen is die onderlegger nog herkenbaar aanwezig. Inmiddels is er het besef dat zuinig met de beschikbare ruimte om moet worden gaan en dat de stad niet langer ongebreideld van het omliggende land af kan nemen. Het omliggende land is voor de stad van grote betekenis, niet alleen als productiegebied voor de stad, maar in toenemende mate ook als uitloop-, uitfiets- en uitrengebied voor de stedeling, als energieleverancier aan de stad, als regenton en koelmotor voor de stad en als natuurparel nabij de stad. Daarom is besloten dat de toekomstige groei van de stad overwegend binnen het bestaand stedelijk gebied moet worden opgevangen. Dat zal leiden tot een verdere intensivering van de stad. Die intensieve stad zal alleen werken bij de gratie van een hoogwaardig ingerichte openbare ruimte binnen de stad en de aanwezigheid van een uitstekend bereikbaar en fantastisch ingericht buitengebied. Een buitengebied waar de Rotterdammer verkoeling vindt, zich kan verbazen over de veelkleurigheid van de natuur, een rijkdom aan erfgoed treft en waar de stad water opvangt, energie opwekt en op een duurzame wijze voedsel en grondstoffen produceert. Kortom, een stad die in positieve wederkerigheid met het land wordt ontwikkeld.

Op deze pagina

Doe de welstandscheck

Krijg snel en eenvoudig inzicht in welke welstandscriteria gelden voor jouw bouwinitiatief.

Ga naar de welstandscheck