Historische linten en kernen

Historische linten en kernen zijn vóór 1900 ontstaan en lagen buiten de toenmalige stad Rotterdam. De meeste linten en kernen zijn in de loop der tijd als historisch fragment in het stedelijk gebied opgenomen.

Stedenbouwkundige kenmerken

Zowel door de prominent aanwezige structuur waarlangs de bebouwing is ontstaan, als door het historische uiterlijk van het merendeel van de panden, dat duidelijk afwijkt van de uitbreidingsgebieden eromheen, is de oudere herkomst nog duidelijk afleesbaar. Het bebouwingspatroon is vaak grillig en in samenhang met de onderliggende landschappelijke structuren. Het onderscheidt zich daardoor duidelijk van latere stadsuitbreidingen. Historische linten en kernen zijn dan ook direct afleesbaar van een stadsplattegrond.

De vaak erg kleine historische kernen hebben zich ontwikkeld langs de toegangswegen, waardoor er lintbebouwing is ontstaan, bestaande uit burgerwoningen en, in mindere mate, kleine bedrijvigheid. Veel linten zijn naderhand verder verdicht, vaak met bedrijvigheid, industrie en villa’s van welgestelde Rotterdammers. Oorspronkelijk was er tussen linten en kernen een heel duidelijk onderscheid in structuur en karakter, maar het hierboven beschreven verdichtingsproces, dat al in de late negentiende eeuw is begonnen, heeft ertoe geleid dat de verschijningsvorm van linten en kernen steeds meer in elkaar overloopt.

Linten

Bij linten is een lineaire, ruimtelijke structuur waarlangs de panden zijn gebouwd het continue, bindende element. Dit element wordt gevormd door een dijk, een waterloop of een weg (of een combinatie ervan). Het lint heeft een rafelige rand van vrijstaande - vaak kleinschalige en soms van de dijk teruggelegen - bebouwing.

Sommige linten hebben nog een agrarisch karakter (zoals de Schulpweg, de Bergse Linker Rottekade), maar de meeste zijn verdicht geraakt (zoals de Straatweg Hillegersberg). Bebouwing langs de linten kan bestaan uit vrijstaande boerderijen en arbeiderswoningen in het buitengebied, maar ook uit kleine bedrijvigheid (zoals de Overschiese Kleiweg), rijtjeswoningen, winkels of een school, landhuizen en historische of moderne villa’s. De oorspronkelijke bebouwing heeft een traditioneel karakter, terwijl het karakter van latere toevoegingen zeer divers kan zijn.

Kernen

De structuur van een kern is complexer dan die van een lint. Een kern heeft een middelpunt, bijvoorbeeld bestaande uit een kerk, een haventje of een kruispunt van wegen. De structuur van een kern heeft dus meerdere richtingen. De bebouwing is (vrijwel) aaneengesloten, waardoor de gevelwand prominent aanwezig is. Een kern (zoals Delfshaven, Oud-Charlois, Overschie, haventje Pernis) is bovendien stedelijker van karakter en dichter en hoger bebouwd dan een lint.

Zowel bij linten als bij kernen is er weinig openbare ruimte (meestal alleen de straat). Die is smal en heeft een uitgesproken continu karakter. Vooral in de kernen staat de bebouwing vaak in de rooilijn; wanneer er een voortuin is neemt de erfafscheiding de rooilijn over. Wel is er veel privéruimte in de vorm van tuinen en erven achter of tussen de bebouwing. Openbaar en privé zijn duidelijk van elkaar gescheiden door een muurtje, haag of hek.

Architectonische kenmerken

Veruit het belangrijkste kenmerk van dit gebiedstype is het historische karakter van zowel de structuur als de bebouwing, in vele gevallen in schril contrast met het omliggende gebied. Historische linten en kernen houden de geschiedenis van de stad afleesbaar. Bovendien zijn ze van groot belang voor de identiteit van het stadsdeel waarin ze liggen. Op de stad als geheel heeft de aanwezigheid van de linten en kernen, die vaak deel uitmaken van recreatieve routes, een ‘ontspannende’ werking. Wonen aan linten en in kernen is dan ook zeer gewild.

Van belang is in de eerste plaats de structuur waaraan de bebouwing gelegen is (langs een waterloop, aan een dijk, of rond een kerk of een haven). Typerend voor historische linten en kernen is dat er pand voor pand is gebouwd, organisch, veelal door of in opdracht van de eigenaren zelf. De panden dateren uit verschillende periodes en zijn in diverse stijlen gebouwd. Vorm, massa, kleur en materiaalgebruik van de bebouwing zijn daarom onderling verschillend.

De percelen hebben verschillende kavelbreedtes en vaak staat hogere bebouwing van recente datum naast kleinschalige, oude panden. Hierdoor ontstaat er een grote diversiteit, die het meest opvalt in de kernen, waar de bebouwing dicht opeen staat. De meeste bebouwing binnen de historische fragmenten is nog steeds bescheiden van omvang. Wel zijn veel panden vergroot door op- en aanbouwen en forse dakkapellen en staan er in de tuin of op het erf vaak nogal wat bijgebouwen.

Linten

Karakteristiek voor linten is de eenvoudige, lineaire structuur. Door de diversiteit van functies langs de linten, hebben die vaak een enigszins informeel karakter. Tot op zekere hoogte kan het lint plaats bieden aan gebouwen van verschillende bouwstijlen, afmetingen, hoogtes en materialen. Bij de ‘lossere’ linten is het zicht tussen de bebouwing door uitermate karakteristiek.

Kernen

Essentieel voor een kern is de complexere structuur. De oude bebouwing heeft een eenvoudige, traditionele vormgeving met zorgvuldig, ambachtelijk materiaalgebruik en overeenkomstige detaillering. De meer prestigieuze bebouwing is voorzien van torentjes, erkers en bijzondere ingangspartijen. De afzonderlijke panden ontlenen hun waarde mede aan hun rol en plaats in het geheel: de rol van één kraal in een bonte ketting, waarbinnen verschillende kleuren en materialen zijn toegepast. De kralen worden bijeengehouden door het snoer: de continuïteit van de structuur waarlangs is gebouwd (dijk, weg, haven) en de rooilijn, die al of niet bestaat uit erfafscheidingen. Ook de kern kan tot op zekere hoogte plaats bieden aan gebouwen van verschillende verschijningsvormen, zo lang het individuele pand blijft passen binnen het snoer als geheel.

Criteria

  • Bouwinitiatieven dragen bij aan het ontspannen en afwisselende karakter van het lint (kleinschalig met open ruimtes tussen de bebouwing) of de kern (kleinschalig en met een besloten, maar gevarieerd karakter). Als zodanig herkenbare seriematige bouw is ongewenst.

  • Bouwinitiatieven houden de landschappelijke structuur herkenbaar en verstoren deze niet.

  • In linten blijven de toegangsbruggen in grootte en verschijningsvorm ondergeschikt, zodat de continuïteit van de waterloop zichtbaar blijft.

  • Bouwwerken vormen op architectonisch vlak een duidelijke op zichzelf staande toevoeging aan de diversiteit van de context.

  • Bouwwerken hebben een compacte, eenduidige hoofdvorm.

  • Een van de omgeving afwijkende vormentaal is mogelijk, mits dit niet ten koste gaat van het historische en continue karakter van het lint of de kern.

  • De voorgevel is representatief en gericht op de straat, of een andere belangrijke ontsluiting (bijvoorbeeld water of een dijk).

  • Materialen en kleuren passen bij het afwisselende en kleinschalige karakter van het lint of de kern; divers materiaal wordt nauwkeurig op elkaar afgestemd.

  • De detaillering is ambachtelijk en verfijnd, ondersteunt het ontwerp en is ondergeschikt aan de hoofdvorm van de bebouwing.

Voor de Straatweg (tussen de Bergse Voor- en Achterplas) gelden de volgende aanvullende criteria:

  • Als onderdeel va de expressie van de gevelwanden worden natuurlijke materiaaleigen kleuren (in gedekte tinten) met lichte toevoegingen toegepast.

  • Erfafscheidingen bij voor- en zijtuinen zijn vormgeven als sierhekken passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.

Andere reguliere criteria

Stadscentrum en centrumgebieden

Rotterdam heeft een voor Nederlandse begrippen bijzondere binnenstad, vooral vanwege de stedenbouw en architectuur uit de wederopbouwperiode en de opvallende skyline.

Organisch ontwikkelde uitbreidingen

Tussen circa 1860 en 1905 vonden stadsuitbreidingen plaats die niet waren gebaseerd op een stedenbouwkundig plan, maar zich organisch ontwikkelden.

Vroege planmatige uitbreidingen

De vroege planmatige uitbreidingen zijn stadsdelen die zijn ontworpen op basis van een uitbreidingsplan met een visie op de stad als geheel, meestal gerealiseerd tussen circa 1905 en 1950.

Tuindorpen

In 1902 werd de Woningwet ingevoerd. Vanaf dat moment tot ongeveer 1950 kwamen er in de stad op verschillende plekken ruim opgezette en groene arbeiders- en middenstandswijken tot stand.

Stempel- en strokenbouw

Met stempel- en strokenbouw worden planmatige woongebieden bedoeld, tot stand gekomen tussen de jaren ’50 en ’70 van de twintigste eeuw, met incidenteel latere invullingen en vernieuwingen.

Planmatige woonerfwijken

Eind jaren ’60 van de vorige eeuw was er veel kritiek op de stempel- en strokenbouw, die als vlak en monotoon werd gezien.

Recente uitbreidingen en grootschalige transformaties

Halverwege de jaren ’80 vond opnieuw een omslag plaats in stedenbouw en architectuur.

Stedelijke villagebieden

Stedelijke villagebieden zijn woongebieden die zijn ontstaan na 1870 en waarvan de bebouwing bestaat uit vrijstaande of geschakelde villa’s.

Stedelijke oevers

Stedelijke oevers zijn gebieden gelegen aan de oever van de Maas of aan delen van (voormalige) havens.

Stedelijke knooppunten

Knooppunten zijn gebieden met diverse publieksfuncties, hoge bezoekersaantallen en een hoge verkeersintensiteit.

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden kennen veelal een rationele inrichting en zijn doorgaans sterk monofunctioneel van aard.

Groengebieden

Groengebieden hebben een recreatieve functie die vaak wordt gecombineerd met waterhuishoudkundige, educatieve en ecologische functies.

Bouwwerken op het water

In principe zijn op het water de Algemene Bouwstenen Rotterdam van toepassing, evenals de gebiedsgerichte criteria die voor de aangrenzende stadsdelen zijn geformuleerd.