Bouwwerken op het water

In principe zijn op het water de Algemene Bouwstenen Rotterdam van toepassing, evenals de gebiedsgerichte criteria die voor de aangrenzende stadsdelen zijn geformuleerd.

Stedenbouwkundige kenmerken

Aanvullend hierop gelden de criteria voor bouwwerken op het water. Net zoals voor bebouwing op de wal geldt, moeten bouwwerken op het water passen bij de omgeving. Omdat bouwwerken op het water echter een zodanig specifiek karakter hebben, is er in aanvulling op de bouwstenen en de gebiedsgerichte criteria een set met specifiek op waterbouwwerken gerichte criteria opgesteld. Er worden woonschepen, arken, maar ook andere bouwwerken onderscheiden, zoals kantoorruimte op het water, pontons, aanlegsteigers, veerhaltes enzovoort.

Net als architectuur op de wal hebben bouwwerken op het water nadrukkelijk invloed op de kwaliteit van het stadsbeeld, zeker in een stad als Rotterdam, waar de rivier en het (voormalige) havengebied een grote rol spelen in het stedelijk panorama. De stad is vergroeid met het water, dat op verschillende plekken een geheel eigen karakter vertoont. Net zoals bijvoorbeeld de gebieden Stedelijke oevers, Stedelijke knooppunten en Groengebieden vertegenwoordigt Bouwwerken op het water een bepaald type gebied (water) en bebouwing, in plaats van een bepaalde bouwperiode of architectuurstijl. Het water wordt daarom als een apart gebiedstype aan de welstandskaart toegevoegd.

Architectonische kenmerken

Omdat in Rotterdam (relatief) weinig woonschepen liggen (een tot woning getransformeerd authentiek schip) zijn hier vooral criteria opgesteld voor drijvende bouwwerken, bouwwerken op het water. Om het onderscheid te duiden: bij authentieke schepen gaat het om de oorspronkelijke kwaliteit en uitstraling van boten: voorheen beroepsmatig ingezette schepen, waarvan het casco en opbouw nog steeds de oorspronkelijke contouren en kenmerken vertoont. Voor arken en andere waterbebouwing geldt dat ze meer als ‘drijvende bouwwerken’ zijn gedefinieerd. Arken zijn lichte, vaak min of meer rechthoekige, drijvende bouwwerken, gesitueerd op een plat casco. Ze bezitten kortom geen enkele verwijzing naar varende schepen; ze zijn gemaakt om te drijven, niet om te varen.

Hoewel bouwwerken op het water allemaal unieke ruimtelijke en uiterlijke kenmerken kunnen hebben, vertonen ze door hun specifieke positie in de openbare ruimte ook een aantal overeenkomsten, bijvoorbeeld in hun relatie met de wal en het feit dat doorgaans alle zijden, inclusief de bovenkant, goed zichtbaar zijn. Wordt het dak als een extra gevel gezien, dan zijn er kortom vijf gevels bepalend voor de uitstraling van waterbebouwing. Het begrip ‘voor- en achterkant’, of voor- en achtergevel, verliest daarmee aan betekenis, al maken woonschepen en bouwwerken op het water door hun bijzondere ruimtelijke positie altijd onderdeel uit van een asymmetrisch stedelijk profiel: de overgang van land naar water. Helderheid in de opbouw en overgangen van dit profiel is een belangrijk vertrekpunt: bebouwing – straat – oever – water – bouwwerk of schip. Een belangrijk basiskenmerk is dat er rondom bouwwerken op het water voldoende zicht over en op het water is; dat bouwwerk en oever niet aan elkaar ‘groeien’. De algemene criteria die bij dit bebouwingstype horen zijn er daarom op gericht om een heldere relatie tussen waterbouwwerken en hun omgeving te waarborgen.

Waar het bij woonschepen om de specifieke contouren en kenmerken van de scheepscasco’s gaat, waarbij de uiterlijke kenmerken voortkomen uit de oorspronkelijke functie ervan, onderscheiden arken en andere bouwwerken op het water zich hiervan, omdat ze in beginsel in ontwerp, opbouw en uitstraling nauwelijks relatie vertonen met de scheepvaart. Ze zijn gemaakt of getransformeerd om te wonen, werken, of ontsluiten, niet om zich te verplaatsen. Veelal hebben ze een lichte constructie en eenduidige geometrische vormen, als opbouw geplaatst op een speciaal voor het bouwwerk gemaakt plat (vaak betonnen) casco. Omdat de relatie met het nautische karakter minimaal is, zijn er vrije ontwerpvormen mogelijk, voor zover de lichte constructie dit toelaat.

Criteria

  • Bouwwerken op het water reageren op de karakteristieken van de omgeving en het karakter van het water waar het bouwwerk zich bevindt.

  • Bouwwerken op het water gedragen zich als ‘gast in de openbare ruimte’.

  • De relatie tussen oever en bouwwerk op het water is helder; oever, water en bouwwerk zijn goed van elkaar te onderscheiden.

  • Bouwwerken op het water houden er rekening mee dat ze aan alle zijden, inclusief de bovenkant, goed zichtbaar zijn; onaantrekkelijke gesloten gevels, rommelige achterkanten, bijgebouwen en dergelijke worden vermeden.

  • Steigers, op- en afstapvoorzieningen en anderszins ondersteunende constructies hebben een bescheiden en ondergeschikte uitstraling; zij vormen eenduidig een brug tussen wal en waterbouwwerk. Daarmee wordt voorkomen dat wal en bouwwerk aan elkaar ‘groeien’ en de heldere overgang verdwijnt.

Voor water, grenzend aan het gebiedstype Kantorenlocaties, haven- en bedrijventerreinen geldt het volgende aanvullende criterium:

  • Voor bouwwerken op het water die een nautische functie hebben, ligt de prioriteit bij nautische veiligheid en de bedrijfsvoering daarvan.  De daarmee samenhangende vormgeving en kleurgebruik zijn leidend.

  • Bouwwerken op het water hebben een heldere hoofdvorm (terrassen zijn geïntegreerd) en zijn naar alle zijden representatief. Er is geen sprake van een optelling van volumes.

  • Het materiaalgebruik past bij het type bouwwerk op het water: (relatief) lichte en maritieme materialen.

  • De uitwerking en detaillering ondersteunen de typische kenmerken van bouwwerken op het water.

  • Materiaalgebruik en kleur ondersteunen het (functionele) karakter van waterbouwwerken (geen schuurtjes- of woonwagenuitstraling).

  • De detaillering is eenvoudig, passend bij het toegepaste materiaal.

  • Het kleurgebruik is terughoudend en past bij de omgeving.

Op deze pagina

Doe de welstandscheck

Krijg snel en eenvoudig inzicht in welke welstandscriteria gelden voor jouw bouwinitiatief.

Ga naar de welstandscheck

Andere reguliere criteria

Stadscentrum en centrumgebieden

Rotterdam heeft een voor Nederlandse begrippen bijzondere binnenstad, vooral vanwege de stedenbouw en architectuur uit de wederopbouwperiode en de opvallende skyline.

Historische linten en kernen

Historische linten en kernen zijn vóór 1900 ontstaan en lagen buiten de toenmalige stad Rotterdam.

Organisch ontwikkelde uitbreidingen

Tussen circa 1860 en 1905 vonden stadsuitbreidingen plaats die niet waren gebaseerd op een stedenbouwkundig plan, maar zich organisch ontwikkelden.

Vroege planmatige uitbreidingen

De vroege planmatige uitbreidingen zijn stadsdelen die zijn ontworpen op basis van een uitbreidingsplan met een visie op de stad als geheel, meestal gerealiseerd tussen circa 1905 en 1950.

Tuindorpen

In 1902 werd de Woningwet ingevoerd. Vanaf dat moment tot ongeveer 1950 kwamen er in de stad op verschillende plekken ruim opgezette en groene arbeiders- en middenstandswijken tot stand.

Stempel- en strokenbouw

Met stempel- en strokenbouw worden planmatige woongebieden bedoeld, tot stand gekomen tussen de jaren ’50 en ’70 van de twintigste eeuw, met incidenteel latere invullingen en vernieuwingen.

Planmatige woonerfwijken

Eind jaren ’60 van de vorige eeuw was er veel kritiek op de stempel- en strokenbouw, die als vlak en monotoon werd gezien.

Recente uitbreidingen en grootschalige transformaties

Halverwege de jaren ’80 vond opnieuw een omslag plaats in stedenbouw en architectuur.

Stedelijke villagebieden

Stedelijke villagebieden zijn woongebieden die zijn ontstaan na 1870 en waarvan de bebouwing bestaat uit vrijstaande of geschakelde villa’s.

Stedelijke oevers

Stedelijke oevers zijn gebieden gelegen aan de oever van de Maas of aan delen van (voormalige) havens.

Stedelijke knooppunten

Knooppunten zijn gebieden met diverse publieksfuncties, hoge bezoekersaantallen en een hoge verkeersintensiteit.

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden kennen veelal een rationele inrichting en zijn doorgaans sterk monofunctioneel van aard.

Groengebieden

Groengebieden hebben een recreatieve functie die vaak wordt gecombineerd met waterhuishoudkundige, educatieve en ecologische functies.