Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden

Kantorenlocaties, haven- en bedrijvengebieden kennen veelal een rationele inrichting en zijn doorgaans sterk monofunctioneel van aard. Ze zijn primair gericht op het huisvesten van bedrijven en onderscheiden zich daarom niet door een bepaalde bouwperiode, maar vooral door een bepaald type gebied en bebouwing.

Stedenbouwkundige kenmerken

Havengebieden

De havens hebben een cruciale rol gespeeld bij het ontstaan en bij de ontwikkeling van Rotterdam. Tot ongeveer 1850 was Rotterdam een koopmansstad en waren alle havens gesitueerd in de oude binnenstad. In de tweede helft van de negentiende eeuw groeide de stad snel en ontwikkelde de Rotterdamse haven zich tot een overslaghaven voor het Duitse achterland. In deze periode werden op de zuidelijke oever de eerste haveninstallaties gerealiseerd (Kop van Zuid).

In de twintigste eeuw groeide de haven op de beide oevers steeds verder in westelijke richting en vond er een scheiding van de functies wonen en werken plaats. Voor de overslag op stroom (van zeeschip naar binnenvaartschip) werden brede havenbekkens gegraven met langs de randen kades, zoals de Maashaven uit 1902 en de Schiehaven uit circa 1908. Ook werden havens aangelegd met langs de randen kades en in het midden pieren met kades, zoals de Rijnhaven (1893), de Merwehaven (1923) en de Waalhaven (1906-1922).

In de naoorlogse periode werden het Botlekgebied (1947-1957) en de Europoort (Eerste Maasvlakte, 1957-1968) aangelegd. Rotterdam ontwikkelde zich tot doorvoerhaven en opslagpunt voor grondstoffen (vooral aardolie). In deze periode zette schaalvergroting zich steeds verder door en werden de havenbekkens steeds breder en dieper. Eind jaren ‘60 werd de container geïntroduceerd en vanaf 1965 werden de eerste containerhavens aangelegd. Met de introductie van het containervervoer werden overslaggebouwen overbodig. De ruimte voor infrastructuur (wegen, opstelruimte en dergelijke) nam sterk toe.

Bedrijvengebieden

Zowel in de buurt van de haven als in andere delen van Rotterdam liggen bedrijventerreinen die vanaf circa 1940 op gemeentelijk initiatief zijn ontwikkeld. Het gaat om rationeel ingerichte monofunctionele terreinen voor de huisvesting van bedrijven. Er is steeds een duidelijke relatie met de hoofdinfrastructuur van water (vooral de oude terreinen, via de haven of anderszins), weg en vroeger ook spoor. Gerelateerd aan het spoor waren onder andere het Veilingterrein, de Spaanse Polder, en de vele ‘natte’ industrieterreinen. Deze verbindingen zijn nu verbroken of nauwelijks nog functioneel.

Voorbeelden van bedrijventerreinen gericht op grote wegen zijn de distributieparken, Driemansteeweg langs de A15 en de Autostrada, langs de A16. Bij deze en andere bedrijventerreinen, zoals ook Noordwest, is er geen relatie meer met het water; alle aan- en afvoer gaat over de weg. Ook Rotterdam Airport wordt tot dit gebiedstype gerekend.

Kantorenlocaties

Kantorenlocaties zijn meestal gesitueerd aan of bij snelwegen en bij metro- en treinstations. Ze zijn over het algemeen vanaf circa 1965 door gemeentelijk initiatief tot stand gekomen. Het zijn rationeel ingerichte monofunctionele terreinen voor de huisvesting van kantoren voor bedrijven. Structuur en plattegrond zijn op stedelijk niveau vastgelegd (stedenbouwkundig plan) en ontwikkeld, de invulling geschiedt vervolgens per kavel en is in handen van private partijen (afzonderlijke bedrijven).

In het stedenbouwkundig plan zijn vaak ook afspraken vastgelegd over de kwaliteit van de bebouwing en de overgang tussen bebouwing en openbare ruimte. Bij nieuwe kantorenlocaties wordt, net als bij bedrijventerreinen, gestreefd naar het tot stand komen van werklandschappen met een groene aankleding. Om een aangename werkomgeving te creëren en de representativiteit te verhogen is veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de landschappelijke inpassing. De voorterreinen worden groen ingericht; parkeren vindt zo veel mogelijk achter en tussen de gebouwen plaats.

Architectonische kenmerken

Havengebieden

Het havengebied heeft een enorme omvang en strekt zich uit over een afstand van circa 50 kilometer langs de rivier richting de zee. Het gehele gebied is functioneel van opzet en wordt voortdurend volgens functionele principes getransformeerd. De enorme schaal, het volledig technische en functionele karakter en de ligging aan een rivierdelta geven het havengebied een voor Nederland unieke kwaliteit.

De openbaarheid van het havengebied is wisselend; uitgegeven gebieden zijn niet toegankelijk maar de openbare infrastructuur wel. Oevers en kades zijn slechts beperkt toegankelijk. De bebouwing heeft merendeels een sterke, eenduidige hoofdvorm, bepaald door de hoek- en dakcontouren. Maat en schaal sluiten vaak aan bij die van de omgeving.

In cultuurhistorisch opzicht vormen de havens met elkaar (al dan niet getransformeerd) een typologische reeks (vanaf de middeleeuwen tot nu) van waaruit de geschiedenis van Rotterdam afleesbaar is. Voor Rotterdam als specifieke havenstad is dit een grote en unieke kwaliteit. Daarnaast bevinden zich in de oudere havengebieden, havencomplexen zoals het RDM-terrein of de Maashavensilo met een belangrijke cultuurhistorische waarde.

Bedrijvengebieden en kantorenlocaties

De stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit van bedrijventerreinen en kantorenlocaties ligt vooral in de structuur en in de inrichting van het openbaar gebied. Bij bedrijventerreinen is de hiërarchie (primair – secundair – tertiair) in de plattegrond herkenbaar. De bebouwing in beide type gebieden ondersteunt in de beste gevallen de structuur met eenduidige, losstaande volumes in een doorgaande rooilijn. Door de duidelijke begrenzing van gebouwen en de aanwezigheid van tussenruimten blijft er ‘lucht’ in de compositie als geheel.

Heel soms overstijgt de architectuur die van ‘gewone’ bedrijfs- en kantorenbebouwing en krijgt het gebied daardoor een bijna stedelijke kwaliteit. Bij modernere terreinen vergroot een hogere kwaliteit vooral de representativiteit van de bedrijven en kantoren, en daardoor ook van het gebied als geheel. Bij Waalhaven-Zuid en Spaanse Polder is nog herkenbaar hoe in de wederopbouwperiode tegen bedrijventerreinen werd aangekeken (ordening via tussenruimte, groenstroken). Er kan hier sprake zijn van interessante wederopbouwarchitectuur (Van der Meer en Schoep, Ter Meulen, Campina, enzovoort.) en in de oudere gebieden van industrieel-archeologische objecten (pakhuizen, silo’s en dergelijke).

Bij recente bedrijventerreinen en kantorenlocaties is aandacht geschonken aan het ontwerp van de buitenruimte. Openbare ruimte en groen zijn niet puur functioneel opgevat, maar als omgeving die de representativiteit van de bedrijven moet ondersteunen en waarin het aangenaam werken moet zijn. Daardoor is een relatief hoogwaardig werklandschap ontstaan.

Criteria

  • Bouwinitiatieven hebben een eenvoudige, heldere hoofdvorm. Entrees zijn duidelijk afleesbaar vormgegeven en goed zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied.

Voor havengebieden geldt het volgende aanvullende criterium:

  • Om een rommelig aanzicht te voorkomen wordt (opslag van) afval vanuit het openbaar toegankelijk gebied aan het zicht onttrokken; bedrijfsactiviteiten mogen wel zichtbaar zijn.

  • Materiaalgebruik, kleur en detaillering ondersteunen het beeld van een duidelijke hoofdcontour (het aantal materialen blijft beperkt).

  • Bouwwerken worden uitgevoerd in terughoudende kleuren.

  • Kleuraccenten zijn toegestaan, mits ondergeschikt en functioneel van aard, bijvoorbeeld een lijn over een vlak, een constructieve aanduiding van een volume of in verband met veiligheid.

Voor havengebieden geldt het volgende aanvullende criterium:

  • Gebouwen, installaties en andere grote statische elementen worden uitgevoerd in het kleurenschema wit, grijs en zilver (low on colour). In het Stadshavensgebied kan dit kleurenschema eventueel uitgebreid worden met lichte aardtinten.

Voor windmolens in havengebieden gelden de volgende aanvullende criteria:

  • Windmolens staan in een lijnopstelling, op regelmatige afstand van elkaar en hebben dezelfde hoogte (gestreefd wordt om solitaire (= 1 of 2) windmolens te voorkomen).

  • Kasten met aanvullende voorzieningen worden zoveel mogelijk tot een bouwwerk gecombineerd. Dit bouwwerk heeft een eenvoudige hoofdvorm.

  • Reclame op windmolens is niet toegestaan, tenzij het gaat om naamgeving van de eigenaar die op de gondel wordt aangebracht. Per windmolen mag aan beide zijden van de gondel één naam of logo worden aangebracht.

Op deze pagina

Doe de welstandscheck

Krijg snel en eenvoudig inzicht in welke welstandscriteria gelden voor jouw bouwinitiatief.

Ga naar de welstandscheck

Andere reguliere criteria

Stadscentrum en centrumgebieden

Rotterdam heeft een voor Nederlandse begrippen bijzondere binnenstad, vooral vanwege de stedenbouw en architectuur uit de wederopbouwperiode en de opvallende skyline.

Historische linten en kernen

Historische linten en kernen zijn vóór 1900 ontstaan en lagen buiten de toenmalige stad Rotterdam.

Organisch ontwikkelde uitbreidingen

Tussen circa 1860 en 1905 vonden stadsuitbreidingen plaats die niet waren gebaseerd op een stedenbouwkundig plan, maar zich organisch ontwikkelden.

Vroege planmatige uitbreidingen

De vroege planmatige uitbreidingen zijn stadsdelen die zijn ontworpen op basis van een uitbreidingsplan met een visie op de stad als geheel, meestal gerealiseerd tussen circa 1905 en 1950.

Tuindorpen

In 1902 werd de Woningwet ingevoerd. Vanaf dat moment tot ongeveer 1950 kwamen er in de stad op verschillende plekken ruim opgezette en groene arbeiders- en middenstandswijken tot stand.

Stempel- en strokenbouw

Met stempel- en strokenbouw worden planmatige woongebieden bedoeld, tot stand gekomen tussen de jaren ’50 en ’70 van de twintigste eeuw, met incidenteel latere invullingen en vernieuwingen.

Planmatige woonerfwijken

Eind jaren ’60 van de vorige eeuw was er veel kritiek op de stempel- en strokenbouw, die als vlak en monotoon werd gezien.

Recente uitbreidingen en grootschalige transformaties

Halverwege de jaren ’80 vond opnieuw een omslag plaats in stedenbouw en architectuur.

Stedelijke villagebieden

Stedelijke villagebieden zijn woongebieden die zijn ontstaan na 1870 en waarvan de bebouwing bestaat uit vrijstaande of geschakelde villa’s.

Stedelijke oevers

Stedelijke oevers zijn gebieden gelegen aan de oever van de Maas of aan delen van (voormalige) havens.

Stedelijke knooppunten

Knooppunten zijn gebieden met diverse publieksfuncties, hoge bezoekersaantallen en een hoge verkeersintensiteit.

Groengebieden

Groengebieden hebben een recreatieve functie die vaak wordt gecombineerd met waterhuishoudkundige, educatieve en ecologische functies.

Bouwwerken op het water

In principe zijn op het water de Algemene Bouwstenen Rotterdam van toepassing, evenals de gebiedsgerichte criteria die voor de aangrenzende stadsdelen zijn geformuleerd.